Op gespannen voet

bron: Wachttoren 03/01/2012

Inleiding

In een studieartikel in de Wachttoren studieuitgave van oktober 2021, wordt nogal veel propaganda gemaakt voor de eigen organisatie en het eigen gelijk (“wij van WC-eend”?)… Ik voel me dan ook een beetje genoodzaakt om enkele kanttekeningen bij dit artikel te plaatsen. Niet om twijfel of verdeeldheid te zaaien, maar om te laten zien dat we in feite allen broeders en zusters zijn. Ik wil dan ook vooral laten zien hoe de reservaties in het artikel ook zouden kunnen worden toegepast op andere christenen. We hebben namelijk allemaal iets gemeen: Jezus Christus. Het belangrijkste is dan ook te beseffen dat christen zijn niet het aanhangen van een leer is, maar veel eerder het aanhangen van een persoon… En bij deze is het christendom in feite gebaseerd op een relatie met die persoon en het navolgen van die persoon.

Als ze dan ook in het kader “Te veel om op te sommen” willen verdedigen dat we nooit “heel de waarheid” zullen kennen of kunnen vatten, halen ze precies Schriftplaatsen aan die de onnoemelijke wijsheid en complexiteit van God aanhalen. We moeten af van het idee dat het Nieuwe Testament een coherent geheel vormt alsof God het zelf geschreven heeft. En alsof alles vaststaat, en niets voor interpretatie vatbaar is. De betekenis van inspiratie hoeft niet alleen “dictaat” te zijn. Terwijl ik geloof dat het inderdaad geïnspireerde teksten zijn (en dus meer gezag hebben dan pakweg de teksten van Homerus b.v.) zijn ze geschreven met een bepaald doel voor ogen en vaak ook gericht tot een bepaalde gemeente of persoon. Op die manier krijgen we als het ware een inkijk in de zielenroerselen van de schrijver en van de ontvanger, ondanks de leiding van God.

Wij keuren afgoderij af (§5-§7)

In deze paragrafen proberen de schrijvers de lezer ervan te overtuigen dat alleen Jehovah’s getuigen niet aan aanbidding doen van beelden en soortgelijks. In werkelijkheid heeft dit vooral een plaats bij katholieke gelovigen, die beelden (kunnen) gebruiken tijdens hun verering. Paragraaf 5 lijkt geen enkel begrip te hebben voor de complexiteit van het gebruik van beelden binnen de katholieke kerk. Hier halen de schrijvers Exodus 20:4,5 (vers 6 is hier toegevoegd voor de volledigheid) aan, waar staat: “U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is. 5U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.” Let wel dat dit oudtestamentische verzen zijn, met name uit de tien geboden (of tien woorden). Een deel van de Thora waarvan we in de Bergrede van Jezus de geboden terugvinden als anathema’s wat menselijke relaties aangaat, dus met andere woorden het tweede deel van de tien geboden. (In dit hoofdstuk te vinden vanaf vers 12). Het zijn deze genoemde verzen die er voor de Joden hebben toe geleid dat er een tijd is geweest dat er een algemeen verbod was op het vervaardigen van beelden (zelfs van afbeeldingen). Dat wil zeggen van dingen op de aarde, boven de aarde of in de zee. Echter het tweede deel van dit vers maakt duidelijk dat het niet om algemene afbeeldingen gaat, maar om afbeeldingen waarvoor men ‘zich zou buigen en die zou dienen’. Dit was natuurlijk een rechtstreekse aanslag op de godsdienstige rituelen van de volken die Israël omringden. Zo was het de gewoonte dat een priester een godsbeeld verzorgde, dat wil zeggen, hem waste, eten voor hem voorzag… Een goed voorbeeld van de nutteloosheid van deze goden en bijgevolg hun beelden werd beschreven ten tijde dat men de verbondsark van Israël had weggenomen en het beeld van Dagon voorover viel (1 Sam 5).

Het woord dat hier met “buigen voor” wordt vertaald is een vorm van het werkwoord שָׁחָה (shachah), en dit heeft veelal dezelfde betekenis als het woord προσκυνέω (proskuneo) in het Grieks, het wordt namelijk zowel voor “buigen voor” gebruikt als voor aanbidden, wat voor verwarring kan zorgen. Meer nog, in de LXX wordt over het algemeen שָׁחָה vertaald met προσκυνέω.

In de oudheid was het namelijk de gewoonte dat men voor prominente personen boog. Dat had niet de connotatie van “aanbidden”. Zo zie je dat Abraham zich neerboog voor het volk (Gen 23:12). Hetzelfde woord wordt b.v. ook gebruikt om de eerbied aan Jozef te tonen van Jozefs broers toen ze hem in Egypte bezochten (Gen 42:6).

Het is ook op die manier dat Katholieken hun beeldenverering zien: het is geen aanbidding, maar verering. Een uiterste eerbiediging naar wat het beeld voorstelt; zo buigen katholieke priesters voordat ze de kansel opkomen voor het altaar, niet omdat ze die aanbidden, maar omdat ze die vereren.

Ook al aanbidden ze niemand anders dan Jezus en God, ze bidden wel tot heiligen en Maria, maar opnieuw gaat dit voornamelijk om voorspraak in de hemel. Katholieken geloven dat Heiligen en ook Maria een “woordje” kunnen doen voor hen bij God. Je kan het hier dus mee eens zijn of niet, maar het is geen aanbidding volgens de Katholieken. Ook bij de Katholieken hoort aanbidding uitsluitend voorbehouden aan God (die voor hen dus uit drie personages bestaat; waardoor ze wel Jezus kunnen aanbidden; προσκυνέω wordt in het Nieuwe Testament ook enkele malen toegepast op Jezus).

In paragraaf 7 maken ze de bedenking dat verschillende charismatische leiders gevolgd worden door heel veel volgelingen; het is waar dat vele charismatische kerkleiders een mate van volgelingen kan motiveren om hen op hun woord te geloven en hun toespraken ook bij te wonen. Sommige van deze leiders zijn zelfs ronduit charlatans die rijkelijk leven van wat hun achterban, die het vaak veel moeilijker heeft, hen geven. Het belangrijkste als gelovige is dan ook om enerzijds de woorden van deze charismatische kerkleiders te toetsen en te onderzoeken wat juist is, en het goede te behouden, maar anderzijds ook naar hun daden te kijken.

Toch is niet elke bewondering voor welke (charismatische) kerkleider dan ook meteen aanbidding of blindelings navolgen van deze leiders. Het is nu eenmaal zo dat het leuker luisteren is naar iemand die heel de zaal kan innemen, dan iemand die het hier moeilijker mee heeft, en daar zijn christenen ook niet ongevoelig voor. De meeste christenen die dan ook een zekere bewondering hebben voor hun kerkleider, hebben niet meer bewondering voor deze kerkleider als de doorsnee Jehovah’s Getuige voor het besturend lichaam, of voor de gezalfden in het algemeen. Dit afschilderen als aanbidding is intellectueel oneerlijk.

Gods naam

Ik heb even getwijfeld of ik het Tijdschrift zou volgen en dus als titel “Jahwehs naam” of “Jehovahs naam” zou gebruiken. Ik heb dit niet gedaan, niet omdat ik geen eerbied zou hebben voor Gods naam, of bang ben hem te gebruiken, maar omdat het eigenlijk wel iets vreemd is om de naam te gebruiken en daar achter te stellen dat je het nu zal hebben over de naam van die naam. Dus dan maar in de titel: God.

Eerst en vooral moet hier de discrepantie aangetoond worden die de meeste christelijke denominaties maken tussen de belangrijkste naam in het Oude Testament en de belangrijkste naam in het Nieuwe Testament.

In theologische kringen deinst men er dan ook niet voor terug om “Jahweh” (veelvuldig) te gebruiken als ze het over de God uit het Oude Testament hebben. Hij is dus over het algemeen onder theologen van de verschillende denominaties bekend. Meestal wordt er dan wel een verschil gemaakt met het Nieuwe Testament waar volgens b.v. Filippenzen 2:9 de naam van Jezus boven alle andere namen is verheven. Tezelfdertijd verandert er iets tussen het Oude en het Nieuwe Testament; het Oude Testament gaat vooral over één bepaald volk die Jahweh (of Jehovah) heeft aangenomen als zijn volk, in het Nieuwe Testament evolueert dit naar een nieuw volk, dat als kinderen van God beschouwd wordt en dus volgens Paulus hem Abba mogen noemen, iets dat niet gebeurde in het Oude Testament. Daar gebruikte men veelal de naam van God, Jahweh, om hem aan te spreken, tezamen met verschillende titels. Dat merk je ook bij Jezus, als hij tot zijn vader bidt, doet hij dit veelal met de titel “vader”, zelfs in het modelgebed wordt gesteld: “Onze Vader in de hemel, laat uw naam geheiligd worden.”

In paragraaf 8 halen de schrijvers Joh 12:28 aan als een bewijs van de vereiste verheerlijking van Gods naam. In dat vers staat: “Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader.’ Toen klonk er een stem uit de hemel: ‘Ik heb mijn grootheid getoond en Ik zal mijn grootheid weer tonen.’” Ik haal hier opzettelijk de NBV21 aan omdat die een interpretatie laat zien dat men meestal in andere Bijbelvertalingen niet te zien krijgt. In het Hebreeuws had een naam een betekenis, misschien veel meer dan dat in onze tijd het geval is. Denk b.v. aan Jakob die na de worsteling bij de rivier de naam Israël kreeg. Of Abram die de naam Abraham kreeg. Het ging dus nooit zozeer over de betiteling van de naam, maar wat die betekende. Als Jezus dan ook vraagt aan God om zijn naam te verheerlijken, dan vraagt hij meer dan gewoon een naam de wereld in te sturen. Dat wil trouwens niet zeggen dat de naam daarom betekenisloos is of niet van tel. Dat is hij wel, maar met de gepaste eerbied.

Het is dan ook niet uit een gebrek aan eerbied dat hij (helaas) uit de meeste vertaalde Oude Testamenten is weggehaald. Het is veeleer uit respect voor de Joden die de naam niet meer “durven” uit te spreken. Persoonlijk vind ik het een spijtige zaak dat de meeste Bijbels hier de traditie volgen en niet langer het tetragrammaton of een vocalisatie ervan weergeven. Wel vind ik het leuk dat dat wel het geval is b.v. in de NBV studiebijbel.

Paragraaf 10 is dan ook onnodig polariserend.

De waarheid

De meeste christenen houden van “de waarheid”. Ze gaan dan ook op zoek naar wat volgens hen correct is, net zoals de meeste mensen trouwens die iets onderzoeken. Dat wil niet zeggen dat daarmee altijd de waarheid boven water komt, of dat mensen zich nooit iets laten wijsmaken. Zeker in ons informatietijdperk hebben velen van ons de mogelijkheid om te toetsen wat onze leiders of onze leermeesters vertellen. Als christen volgen we geen kerk of leer, daar gaat het christendom niet over. Het christendom is inse een relatie, een navolging, een houden van. In het katholicisme is de kerk echter een stuk belangrijker dan in de meeste protestantse denominaties… Daar geldt werkelijk: “zonder kerk geen heil”, maar zelfs Thomas van Aquino stelde dat het beter is om geëxcommuniceerd te worden wanneer je geweten botste met de kerk. Wat ik bijzonder vind aan paragraaf 12 is het meten met twee gewichten. Waarom wel de reservatie en mildheid naar de leiders van Jehovah’s getuigen toe die fouten hebben gemaakt (en ongetwijfeld nog maken), maar heeft men niet dezelfde mildheid voor andere kerken of christelijke organisaties? Wat ik als verschil gekenmerkt heb tussen Jehovah’s getuigen (en wat in feite een kenmerk van een sekte is) en andere kerken waarmee ik relateer is de mogelijkheid van weerwoord. De mogelijkheid om te zeggen: “Daar ben ik het niet mee eens”. Daar zit nu eenmaal de vrijheid van ons christelijk geloof dat niet iedereen het met elkaar eens moet zijn, en hierbij komen we meteen op het volgende punt.

Houden van elkaar

Het belangrijkste kenmerk van een christen zou niet zijn leer zijn, niet zijn kledij, niet zijn muziek- of filmkeuze, (en neen ook niet het aantal uren dat hij predikt), neen, dat was liefde: “Zoals ik u heb liefgehad, heb elkaar lief,” zei Jezus (Joh 13:34,35). Ik heb voor deze paragrafen dan ook weinig commentaar te geven, tenzij het gewoon door te trekken. Wat ze beschrijven als een bijzonder gewichtig kenmerk van henzelf, zie ik bij andere christelijke gemeenschappen ook, meer nog, ik heb het in de loop van mijn tijd als christen, vaak meer gezien. Zo stelt paragraaf dertien: “In geen enkele religie vind je zo’n hechte familieband die alle nationale, raciale en sociale grenzen overstijgt. We zien bewijzen van echte liefde op onze vergaderingen, kringen en congressen.” Ironisch genoeg heb ik heel veel eenzame en verdrietige mensen bij Jehovah’s getuigen ontmoet. Veel mensen die sociaal geen hoogvliegers zijn, vaak niet getrouwd zijn en geen kinderen hebben, en vaak ook geen grote vriendenkring bezitten, of dat nu binnen de Jehovah’s getuigen is of daarbuiten, vallen vaak een beetje uit de boot. Op congressen is er dan door mensen van dezelfde koninkrijkszaal niet zo heel veel tijd voor hen omdat die andere persoon nu net veel meer tijd wilt spenderen aan die mensen die ze vaak heel weinig te zijn krijgen (of het is op een congres). Ik ervaar dat anders als ik naar een (protestantse) kerk ga, waar er bijzonder veel moeite wordt gedaan door de kerkorganisatie zelf om de mensen binnen de kerkmuren te houden. Etentjes, jeugdwerk, gezamenlijke uitstappen. Dit draagt allemaal bij tot een samenhang van een gemeente en tot de gehele gemeenschap… Dat is ook een bezwaar dat ik heb gemaakt als Jehovah’s getuige dat het predikingswerk de plaats van de liefde soms lijkt te hebben ingenomen.

Eén geloof

Ook hier is er veel interpretatief op aan te merken. Zo stelt paragraaf 15: “De structuur van onze organisatie bijvoorbeeld – met reizende opzieners, ouderlingen en dienaren – is een afspiegeling van wat de apostelen in de eerste eeuw instelden.” Ik ervaar de structuur binnen Jehovah’s getuigen eigenlijk niet zo heel anders dan die van de Katholieke kerk, met priesters (van het woord πρεσβύτερος wat ouderling betekent) en diakens (van διάκονος wat dienaar betekent), verder hebben ze bisschoppen (van ἐπίσκοπος; letterlijk opzichter; bestond trouwens al voor de Bijbelse benaming in Griekenland) die te vergelijken zijn met de reizende dienaren binnen de Jehovah’s getuigen, en vervolgens hebben ze de opvolger van Petrus, de paus als algemene leider, te vergelijken met het besturend lichaam van Jehovah’s getuigen. Verder acht de katholieke Kerk de kerk ook noodzakelijk voor het heil, net zoals Jehovah’s getuige dat vinden van hun organisatie. Men vindt binnen de protestantse kerk een veel vrijere toepassing, zoals Luther stelde dat ieder zijn eigen priester was, wat als grootste nadeel heeft dat er vaak afscheuringen komen als een bepaalde groep uit een kerk in discussie is met een andere groep van een kerk, waardoor je een hele waaier aan verschillende “protestantse” kerken hebt.

Conclusies

Mijn ervaringen zijn door het kijken naar verschillende (christelijke religies) en die dan te vergelijken met Jehovah’s Getuigen dat er eigenlijk helemaal niet zo bijzonder veel verschil is. Ik denk dat de gelijkenissen frappanter zijn dan de verschillen; allen proberen ze God na te volgen zoals zij dat interpreteren vanuit de Bijbel, allen proberen ze Jezus na te volgen op een manier die zij denken dat goed en waar is. Maken ze daarin fouten? Natuurlijk… Nietzsche (die we trouwens geen affiniteit met het christendom kunnen verwijten) stelde al dat er geen waarheid is, enkel interpretatie. Geef aan honderd mensen een tekst om te lezen en je zal een hele resem van verschillende interpretaties krijgen. Jehovah’s Getuigen onderdrukken dit door de leer centraal te stellen en iedereen die anders denkt en dit al te nadrukkelijk naar voren brengt, uit de gemeenschap te zetten. Terwijl ik bijzonder veel commentaar heb op de manier waarop, vind ik dit echter niet problematisch: als je je inschrijft in een voetbalclub moet je ook niet verwachten dat je basket zal mogen spelen op het veld. Maar het al te detaillistisch verwachten dat een ander je mening volgt, beperkt wel de vrijheid van de groep, en dat is eigenlijk één van de redenen waarom er zoveel christelijke denominaties zijn: mensen voelen zich niet goed in één kerk en gaan naar een ander of maken er één. Volgens mij verhindert dat niet dat we toch een zekere eenheid bezitten door de liefde die we voor elkaar hebben, en het navolgen van dezelfde persoon: Jezus Christus. Zijn er dwaalleerkrachten en dwaalleerstellingen? Ja, ik denk het wel. Niet altijd uit schijnheilige doeleinden, vele van de mensen die “dwalen” zijn oprecht in hun denkwijze. Om mezelf echter het voordeel van de twijfel te geven en een andere christen die twijfel niet te geven, lijkt mij meten met twee maten. Laten we dan ook als christenen veeleer een positief verhaal vertellen dan elkaar met de Bijbel om de oren te slaan.

Geen reacties

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *