Inclusie: een magisch woord?

Inclusie lijkt tegenwoordig wel een magisch woord. En deze week was het dan ook bijzonder vaak in het nieuws door de Pano reportage over inclusief onderwijs. Toch sta ik sceptisch tegenover de eenzijdige positieve berichtgeving over inclusie en laat mij toe uit te leggen waarom. Ik moet hier natuurlijk benadrukken dat ik geen wetenschappelijke verhandeling schrijf, of zou willen schrijven, en dat ik, als persoon met een beperking niet neutraal ben, natuurlijk. Mijn ervaringen gaan dan ook vaak uitsluitend of personen met een autismespectrumstoornis. Niet omdat ik minder begaan ben met personen met een andere beperking, maar nu precies omdat ikzelf in dit labeltje pas en dus wel erg geïnteresseerd naar “soortgenoten” kijk. Ik denk sowieso dat men niet alle kinderen/jongeren met een beperking op één hoop kan gooien. Alleen al het verschil tussen mensen met een psychische beperking en mensen met een fysieke beperking is al immens groot.

Ik vond de reportage in Pano trouwens genuanceerder dan de berichtgevingen in het nieuws. Ook in de Pano reportage kwam b.v. een directrice aan het woord van een school in het buitengewoon onderwijs die ook expliciet stelde dat niet alle kinderen “thuishoren” op een reguliere school. En daar ben ik het volmondig mee eens. Toch was de tendens in de Pano-reportage ook één van inclusief onderwijs is goed, en buitengewoon onderwijs moet zoveel mogelijk op de schop.

Om eerlijk te zijn vind ik het woord inclusief onderwijs vrij vaag. Onderwijs waar iedereen welkom is en waar het onderwijs zich aanpast aan de leerling en niet andersom. Mooi natuurlijk, maar meteen dringen zich een paar vragen op, waarvan de voornaamste: Is dit haalbaar? Ook in de pano-reportage wordt een vrij eenzijdig positief beeld geschetst van personen met allerlei beperkingen op reguliere scholen. Ook over het welbevinden van leerlingen zelf, vind ik weinig informatie, en in de Pano-reportage werd dit afgedaan met de zin dat het welbevinden van leerlingen beter is, maar geen statistieken, geen onderzoeken werden genoemd… Die mis ik sowieso in het landschap hieromtrent, meer nog, op de VVA-website staat een artikel waar ze aanklagen dat er te weinig met de personen die het onderwerp zijn van inclusie, wordt gepraat, meestal is dat gewoon informeel. Ook in Knack werd ooit een artikel omtrent inclusie gepubliceerd waar de argumenten voor inclusie voor mij als basis nogal vreemd waren. Zo werd gezegd dat kinderen een school moeten vinden dicht bij hun woonplaats, zodat ze ook vrienden uit de omgeving kunnen maken. Ik vind dat een beetje vreemd; ik woon al heel mijn leven in een dorp waar er maar één middelbare school is (voor de eerste jaren van het middelbaar) een katholieke school. Ik ging dus naar een nabijgelegen stad naar het middelbaar, en vanaf mijn derde wilde ik nog veel verder naar school gaan omdat ik een specifieke richting wilde doen dat je nergens in West- of Oost-Vlaanderen kon doen. Dus de overgrote meerderheid van mijn vrienden en klasgenoten kwamen dus ook in het regulier onderwijs, niet uit de omgeving.

Een andere vraag die ik me stelde bij het zien van de reportage was: wat met het pesten? Er heerst nogal een beeld dat kinderen/jongeren bijzonder verdraagzaam zijn, in mijn ervaring zijn ze dat echter niet echt. Uit onderzoek blijkt b.v. dat zo’n 60 % van de tieners met een heteroseksuele geaardheid niet erg geïnteresseerd zijn in LHTBQIA+ rechten. En om eerlijk te zijn bewijst mijn eigen ervaring ook niet echt dat kinderen/jongeren verdraagzamer zijn dan volwassenen. In mijn ervaring, stoot anders-zijn kinderen en jongeren vaak af. Ik heb dan ook een geschiedenis van pesten achter de rug en als ik het hoor van andere mensen met autisme, dan hoor ik dat heel vaak.

Verder kwam een jongen naar voren met autisme, met een mentor uit zijn klas, die zich niet anders voelt dan de rest. Dat is mooi natuurlijk voor hem, maar mijn ervaring is toch anders, ik heb mezelf over het algemeen anders gevoeld, en als jong kind steek je het nog op de wereld, de wereld is raar, maar als puber begin je toch werkelijk te denken dat het aan jou ligt. En ik hoor heel vaak van mensen met autisme dat ze zich heel hun leven anders hebben gevoeld dan hun omgevingsgenoten. Kun je dat op de maatschappij verhalen? Misschien voor een deel, maar je kan niet verwachten dat iemand die je beperking niet deelt opeens je beperking overneemt om jou tegemoet te treden.

Hetzelfde met de jongen met het syndroom van Down die in de reportage naar voren komt. Hij zit voor bepaalde uren tezamen met zijn klasgenoten en andere uren zit hij alleen met een begeleider. Voelt dat dan echt alsof je deel van het geheel bent, dat je zoals de rest bent? Hetzelfde vraag ik me af van personen die een mentale beperking hebben, wat doet het met je zelfvertrouwen als je altijd maar weer onderaan de ladder bungelt en nooit eens uitblinkt (in leeractiviteiten dan).

En wat met het buitengewoon onderwijs? Er zijn tegenwoordig ouders die de wanhoop nabij zijn omdat scholen en CLB’s hun kinderen niet (automatisch) naar het buitengewoon onderwijs willen laten gaan, maar eerst deze kinderen/jongeren willen “begeleiden” op de reguliere school. Kinderen/jongeren waarvan het welbevinden zo nihil is op school dat ze uitvallen of zelfs dood willen. Nu kun je stellen dat die kinderen/jongeren zich niet beter zullen voelen op een school voor buitengewoon onderwijs, maar ik zie toch andere verhalen. Jongeren die enorm gestresseerd en depressief zijn, die uiteindelijk op een school voor buitengewoon onderwijs weer opbloeien. Het probleem is volgens mij namelijk dat bij mensen met autisme het niet automatisch aan het onderwijs ligt, maar eerder aan de context. Ik heb zelf een stage op een auti-school gedaan, en ik ben verliefd geworden op de manier waarop daar onderwijs gegeven wordt. En terwijl ik geloof dat elke leerling met de aanpassingen op die school gebaat zou zijn, denk ik persoonlijk dat het onhaalbaar duur zou worden.

Ik denk dus als ik positief zou staan tegenover inclusie in het onderwijs, ik vooral besef dat er grenzen zijn. Ja, we willen van iedereen een volwaardig lid van de maatschappij maken, maar daaruit vloeit terug een probleem voort, want wanneer ben je volwaardig lid van deze maatschappij? Ik hoor b.v. bijzonder veel positieve stemmen van de talenten van mensen met een autismespectrumstoornis die kunnen worden gebruikt op de arbeidsvloer, maar we moeten ook niet naïef zijn om te denken dat elke persoon met een autismespectrumstoornis deze talenten kan valideren bij een (hoog)betaalde baan. Zelfs de bedrijven die hiervan hun verdienmodel hebben gebruikt, hanteren over het algemene hele strenge toelatingseisen.

Is iemand die vrijwilligerswerk doet, of niet werkt, minder volwaardig in de maatschappij? Is iemand die leeft in een tehuis, een minder volwaardige deelnemer aan de maatschappij? Persoonlijk denk ik, en hier volg ik zelfs een beetje Aristoteles, dat het eigen geluk de basis moet zijn voor hoe je je leven leidt. Aristoteles stelde dat iedereen streefde naar Eudaimonia (geluk) en dat daaruit het geluk van de maatschappij voortvloeit. Als je kwaliteit van leven zo achteruit gaat dat je enkel nog overleeft, dan moeten er dingen veranderen. We moeten dus misschien minder streven naar gelijkheid, maar des te meer naar gelijkwaardigheid?

Geen reacties

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *